Wetgeving

Wegcode: definitie, deuren, gebruik, gordels, lading, rijbewijs, technische controle, verkeersbord, verwarming, zitplaatsen,
LPG
 

Bronnen:

Rijbewijs

Koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs. (B.S. 30.04.1998)

Artikel 2

3° Categorie B:
auto's met een maximale toegelaten massa van ten hoogste 3.500 kg en met ten hoogste acht zitplaatsen, die van de bestuurder niet meegerekend; aan de auto's van deze categorie kan een aanhangwagen worden gekoppeld met een maximale toegelaten massa van ten hoogste 750 kg;
samenstellen bestaande uit een trekkend voertuig van categorie B en een aanhangwagen, waarbij de maximale toegelaten massa van het samenstel niet meer dan 3.500 kg bedraagt en de maximale toegelaten massa van de aanhangwagen niet groter is dan de ledige massa van het trekkende voertuig.
De drie- en vierwielers met motor behoren eveneens tot deze categorie;

4° Categorie B+E: samenstellen van voertuigen bestaande uit een trekkend voertuig van categorie B en een aanhangwagen, waarvan het samenstel niet onder de categorie B valt;

5° Categorie C: andere auto's dan die van categorie D, met een maximale toegelaten massa van meer dan 3500 kg; aan de auto's van deze categorie kan een aanhangwagen worden gekoppeld waarvan de maximale toegelaten massa niet meer dan 750 kg bedraagt;

6° Categorie C+E: samenstellen van voertuigen bestaande uit een trekkend voertuig van categorie C en een aanhangwagen met een maximale toegelaten massa van meer dan 750 kg;

§ 2. Binnen de categorieën C, C+E, D en D+E worden de volgende subcategorieën gecreëerd :

1° Subcategorie C1 :
andere auto's dan die van categorie D, waarvan de maximale toegelaten massa meer dan 3.500 kg, doch ten hoogste 7.500 kg bedraagt; aan de auto's van deze subcategorie kan een aanhangwagen worden gekoppeld met een maximale toegelaten massa van ten hoogste 750 kg;

2° Subcategorie C1+E :
samenstellen van voertuigen bestaande uit een trekkend voertuig van subcategorie C1 en een aanhangwagen met een maximale toegelaten massa van meer dan 750 kg, mits de maximale toegelaten massa van het aldus gevormde samenstel ten hoogste 12.000 kg bedraagt en de maximale toegelaten massa van de aanhangwagen de ledige massa van het trekkende voertuig niet overschrijdt;       

Artikel 42

De kandidaat voor een rijbewijs geldig voor de categorie C, C+E, D of D+E of voor de subcategorie C1, C1+E, D1 of D1+E moet een onderzoek ondergaan dat vaststelt of hij voldoet aan de normen voorgeschreven in bijlage 6 voor de groep 2.
Het onderzoek wordt ondergaan overeenkomstig de procedure bedoeld in artikel 44

Definitie

Koninklijk besluit van 15 maart 1968 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto's, hun aanhangwagens en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen. (B.S. 28.03.1968)

§ 2. Classificatie volgens de nationale voertuigcategorieën en andere definities:

Voor de toepassing van het bepaalde in dit algemeen reglement wordt verstaan onder:
10. kampeerauto, elk voertuig dat gebouwd of omgebouwd is voor het vervoer en het verblijf van ten hoogste acht personen, bestuurder niet inbegrepen, en waarvan de binneninrichting blijvend aan het koetswerk bevestigd is;
28. eigen massa, de massa van het rijklare voertuig met carrosserie, uitrusting en toebehoren, dat brandstof, water en smeerolie ingenomen heeft, echter zonder inbegrip van de vervoerde personen of goederen.
Voor de kampeerauto's omvat de tarra de massa van het bedrijfsklare voertuig met inbegrip van de binneninrichting. De vloeistoffen gastanks voor huishoudelijk gebruik moeten gevuld zijn;

Artikel 9 - Goedkeuringsvoorwaarden.

§2. De waarde van 10 % wordt tot 20 % verhoogd voor de kampeerauto's en de kampeeraanhangwagens waarvoor de aanvraag om goedkeuring vanaf 1 januari 1986 wordt ingediend.
D.w.z. dat het verschil tussen de tarra en de maximale toegelaten massa MTM tenminste 20 % moet zijn van de maximale toegelaten massa. Voorbeeld een kampeerauto (na 1987) met een MTM van 3200 kg mag dus maximaal een tarra hebben van 3200 - 3200 x 20 /100 = 2560 kg!

Gebruik

Artikel 17 - Gebruik van de voertuigen

§ 1. Alleen de auto's van een voor het vervoer van personen goedgekeurd type mogen voor zulk vervoer worden gebruikt.

§ 2. Het vervoer van personen door middel van aanhangwagens, andere dan deze welke uitsluitend gebruikt worden foorkramers en die eigen zijn aan dat beroep, is verboden.

§ 3. Het is toegestaan personen te vervoeren in het achterste gelijkvloerse gedeelte van de voertuigen met vouwbalg.

§ 4. Voor de toepassing van de bepalingen der §§ 1 en 2 worden niet als vervoerde personen beschouwd :

3° de personen die plaatsnemen in de verblijfsruimte van een kampeerauto.
Bij deze voertuigen, moet de voor bagage of goederen bestemde ruimte door middel van een schot geheel of gedeeltelijk van de personenruimte zijn gescheiden.  

Lading

Artikel 20 - Lading  van de voor het vervoer van personen gebruikte voertuigen

§ 1. De door de Minister van Verkeerswezen voor de automobielinspectie erkende organismen vermelden op het schouwingsbewijs van de voor het vervoer van personen gebouwde auto's met uitzondering van de personenauto's en de auto's voor dubbel gebruik die gebezigd worden voor het niet met bezoldigd vervoer gelijkgesteld gratis vervoer, het volgens de reglementsbepalingen toelaatbaar maximum aantal personen.

De massa van elke vervoerde persoon, met inbegrip van de bestuurder, wordt vastgesteld op 75 kg. Voor de minibussen, autobussen of autocars die niet voorzien zijn van een bagageruimte of een bagagerek op het dak, wordt die massa evenwel teruggebracht op 70 kg. Dit geldt eveneens voor autocars met een bagagerek op het dak of met een bagageruimte die voor een openbare autobusdienst gebruikt worden, op voorwaarde dat zich geen bagage bevindt in de bagageruimte of op het bagagerek op het dak.

Het totaal aantal vervoerde personen mag niet hoger zijn dan het aantal vermeld op het keuringsbewijs. Hierbij worden kinderen van minder dan twaalf jaar op de zitplaatsen achterin voor twee derden geteld.

Voor de kampeerauto's, voor de eerste keer in dienst gesteld als kampeerauto vanaf 1 januari 1986 wordt de massa per vervoerde persoon vastgesteld op 100 kg (70 kg + 30 kg bagage). De massa van een kind van minder dan 13 is vastgesteld op 70 kg (40 kg + 30 kg bagage).

Gordels en plaatsen

Artikel 30 - Veiligheidsgordels en hun bevestigingspunten, evenals veiligheidsinrichtingen voor kinderen aan boord van motorvoertuigen

De kampeerauto's met een maximale toegelaten massa van ten hoogste 3.500 kg in gebruik genomen vanaf 1 januari 1991, moeten uitgerust zijn met veiligheidsgordels ten minste voor de zitplaats van de bestuurder en de aan het portier grenzende voorzitplaats.

Artikel 35. Veiligheidsgordels en kinderbeveiligingssystemen

35.1.1. De bestuurder en de passagiers van auto’s die aan het verkeer deelnemen, moeten de veiligheidsgordel dragen, op de plaatsen die ermee zijn uitgerust.35.2.1. Worden evenwel vrijgesteld van het verplicht gebruik van de veiligheidsgordel en het kinderbeveiligingssysteem :4° de personen die in het bezit zijn van een vrijstelling op grond van gewichtige medische tegenindicaties afgeleverd door de Minister bevoegd voor verkeersveiligheid, of zijn gemachtigde, of, indien zij in het buitenland wonen, door de bevoegde instanties van dat land.

Artikel 44 - Bestuurders en passagiers van voertuigen

44.1. De bestuurder van een auto moet beschikken over een plaatsruimte van ten minste 0,55 meter breed.
Hij mag naast zich geen andere personen laten plaatsnemen, tenzij elk van die personen over een plaatsruimte van ten minste 0,40 meter beschikt.
Het aantal inzittenden van een auto mag niet meer bedragen dan de som van het aantal plaatsen uitgerust met een veiligheidsgordel of een goedgekeurd kinderbeveiligingssysteem en van het aantal plaatsen die daarmee niet behoeven te zijn uitgerust.

Deuren

Artikel 59 - In- en uitgangen van de auto's

3. Bijzondere voorschriften toepasselijk op de kampeerauto's.
3.1. De verblijfsruimte van een kampeerauto dient ten minste van een gemakkelijk bereikbare nooduitgang voorzien te zijn die zich niet in dezelfde wand als de bedrijfsdeuren bevindt. De minimunafmetingen van deze nooduitgang dienen 400 mm x 600 mm te zijn.

3.2. Indien er een gemakkelijke doorgang naar de bestuurdersruimte bestaat, mag een van de bestuurdersruimte voorziene uitgangen als nooduitgang beschouwd worden voor zover hij aan de voorschriften van punt 3.1. beantwoordt.

3.3. Indien de nooduitgang slechts door het breken van het glas kan geopend worden, dient een noodhamer in de onmiddellijke nabijheid van deze uitgang aan de wand bevestigd te zijn.

Zitplaatsen

Artikel 64 Reizigerszitplaatsen

2. Bijzondere bepalingen voor personenauto's, auto's voor dubbel gebruik, minibussen en kampeerauto's tot het verkeer toegelaten vanaf 1 oktober 1971.
2 1. De zetels en banken moeten stevig in het voertuig bevestigd zijn. 2.2. Verschuifbare zetels en banken moeten automatisch kunnen vergrendeld worden in elk van de voorziene standen.
2.3. Elke zitplaats moet van een rugleuning voorzien zijn. Regelbare rugleuningen moeten vergrendeld kunnen worden in elk van de voorziene standen.
2.4. De zetels en banken die vooruit neergeklapt kunnen worden, evenals de neerklapbare rugleuningen van de voorste zetels en banken, moeten automatisch vergrendeld zijn in normale stand.
2.6. In de verblijfsruimte van een kampeerauto dienen de kussens van de zetels zo bevestigd te zijn dat ze niet naar voor kunnen schuiven, zelfs niet bij brutaal remmen.
2.7. Zitplaatsen in de verblijfsruimte van een kampeerauto zijn toegelaten indien er een opening bestaat tussen de bestuurdersruimte en de verblijfsruimte van ten minste 250 mm x 300 mm waardoor mondeling en visueel contact tussen de bestuurder en de passagiers in de verblijfsruimte mogelijk is.

Verwarming

Artikel 67 Verwarming

§3. De auto's die worden gebruikt voor het bezoldigd vervoer van personen of voor hiermede gelijkgesteld gratis vervoer moeten voorzien zijn van een doelmatige verwarmingsinstallatie in verhouding tot de capaciteit van het voertuig. Wanneer een scheidingswand is aangebracht tussen de bestuurders- en reizigersruimte, moeten alle maatregelen genomen worden voor een behoorlijke verwarming van de verschillende ruimten
§4. Wanneer een voertuig uitgerust is met een installatie op vloeibaar oliegas (L.P.G.) voor de bereiding van warme maaltijden of dranken moet deze installatie beantwoorden aan de veiligheidsvoorschriften uitgevaardigd door de Minister van Verkeerswezen of diens afgevaardigde.

Verkeersbord

Koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer. (B.S. 09.12.1975)
Artikel 70 -  Verkeersborden betreffende het stilstaan en parkeren

Bord E9h

LPG

Vlarem II Algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne. (B.S. 31.07.1995)

Artikel 5.16.4.4.7

§ 2: uitsluitend LPG-recipiënten welke zich aan boord van motorvoertuigen bevinden en dienstig zijn als brandstof mogen worden gevuld. LPG-recipiënten met een inhoudsvermogen kleiner dan of gelijk aan 60 liter welke dienen voor de verwarming- of keukeninstallaties van caravans of motorhomes mogen evenwel worden gevuld mits naleving van volgende voorwaarden:

1° de tanks voorzien van voetsteunen, een vulaansluiting met dubbele terugslagklep, een gasfase-afname, een vloeistofaanwijzer, een veiligheidsklep en een proefkraan.
2° de tanks mogen niet worden gevuld door zelfbediening, ze mogen slechts worden gevuld door de exploitant of door een behoorlijk op de hoogte gebrachte aangestelde nadat deze er zich heeft van vergewist dat bedoelde tanks zijn voorzien van hogervermelde uitrustingen, dat de tanks de beproevingsdatum en ijkstempel voorgeschreven in artikel 5.16.4.2.1. dragen en dat de termijn van herbeproeving niet overschreden is.