Brouwprocessen

Bottelen: het vullen van flessen of vaten.

Dry Hop: extra hop toedienen tijdens het lageren van het bier (tussen gisting en bottelen)

Eesten: het verhitten van de kiemende gerst om de groei van de kiem te stoppen. Ook wordt de mout gedeeltelijk ingedroogd (-5% water) zodat deze minder gevoelig is voor schimmel.

Gisting: het omzetten van (enkelvoudige) suikers in alcohol door gistcellen.

  • Bovengisting: bij een temperatuur tussen 20 en 25°C. De gist ‘drijft’ op de suiker oplossing.
  • Ondergisting: bij een temperatuur van 4 tot 10°C. De gist leeft op de bodem van het gistingsvat. De gisting duur veel langer dan bij bovengisting maar er is amper kans op bacteriële infectie. Deze gisting wordt gebruikt bij pils.

Klaren: het helder worden van bier, dikwijls door het toevoegen van vislijm en meestal op een koele plaats waardoor de gist en onzuiverheden naar de bodem zakken.

Koelen: het op gistingstemperatuur brengen van wort. Voor bovengistend bier is dit ± 22°C voor ondergisten bier is dit ±7°C.

Koken: na het maischen wordt bier gekookt om alle bacteriën te doden en om de overtollige eiwitten uit te vlokken. Ook verdampt een gedeelte van het water zodat eventueel overmatig spoelwater verdwijnt.

Lageren: het in een koele ruimte bewaren van het bier waardoor het rijpt (smaken worden uitgesproken en constant)

Maischen: het wort wordt op een bepaalde temperatuur houden zodat de enzymen maximaal kunnen werken. Dikwijls wordt er gemaischt op verschillende temperaturen omdat er meerdere soorten enzymen aanwezig zijn die elk bij een specifieke temperatuur werken.

Schroten: het breken van de graankorrel waarbij het meellichaam vrijkomt en de bliezen maximaal bewaard blijven.

Spoelen: het wegspoelen van de suiker die nog in de draf achterblijft.


Gemaakt op: 1/09/2016 / Update: 30/10/2017