Geschiedenis van het bier

Oudste bier

Dit is erg moeilijk om te bepalen. Meer dan waarschijnlijk werd het ontdekt door een vergeten broodbrij die spontaan begon te gisten.
In Jarmo, het oudst gekende landbouwers dorp  van Mesopotamië (nu Irak), werden sporen gevonden van een gerstcultuur, zo’n negen duizend jaren voor onze tijdrekening. Brouwen van bier behoorde samen met het bakken van brood tot de huishoudelijke taken van de vrouw.
De oudst gekende bieren zijn niet veel meer dan een gegiste brij, afkomstig van verkruimeld brood.
De Sumeriërs (Zuid-Mesopotamië) hadden een, naar verhouding, uitgebreid bierassortiment met zestien verschillende lichte en donkere bieren.
Het bier werd er gebruikt als betaalmiddel.
Bij de Egyptenaren konden de farao’s kiezen uit een viertal soorten, op basis van brood: zythum (licht bier), dizythum (‘dubbele’), carmi (gezoet bier) en korma (gemberbier). Ramses II kreeg zelfs als bijnaam de farao brouwer.
Peluse, een dorpje in de Nijldelta nabij Port Saïd, is het brouwcentrum van het oude Egypte. Van hieruit wordt er zelfs verscheept naar Griekenland.
De Romeinen waren wijndrinkers maar de armen kenden ook het bier. Dat de Romeinen bier kenden, wordt o.a. afgeleid uit archeologische vondsten nabij Namen.
In de resten van een Romeinse villa (Ronchinne) met aanpalende brouwerij uit de derde tot vierde eeuw zijn potscherven gevonden met als gravure ‘Cervesariis feliciter’.
In het museum van Aarlen bevindt zich tevens een bas-reliëf waarop men brouwers aan het werk ziet.
Van de  Galliërs weten we dat zij meesters waren in het brouwen van wat de Romeinen ‘cervoise’ noemde, de Kelten zelf noemden de drank bier. De benaming cerevisia is een samenstelling van cera (graan) en vise (sterkte). De Galliërs vonden de houten tonnen uit bier te bewaren, daarvoor werden steeds kruiken en amforen gebruikt.
Bij de Germanen waren het vooral de Bajuvaren (in wat nu Beieren is) die een reputatie hadden op het vlak van bierbrouwen en -drinken. Dit hadden ze overgenomen van de overwonnen Keltische stammen.
Naast de vier oerelementen  (aarde,  water,  vuur  en  lucht) was voor hen het bier evenwaardig.

Middeleeuwen

In de vroege Middeleeuwen was bier een veilige drank voor de gewone man (omdat het gekookt werd) en was de huisvrouw de brouwer. Het was niet te vergelijken met ons bier omdat het geen hop bevatte en geen CO2.
Langzaam ontstond er een schaalvergroting omdat Karel de Grote (742-814) het voorrecht van het brouwen aan de kloosters verleende.
In de kloosters ontdekte men dat sommige kruiden het bier (vooral uit haver en een beetje tarwe) langer liet bewaren. Men brouwde met gruut of gruit, een geheim kruidenmengsel met onder andere: gagel, salie, rozemarijn, duizendblad, laurier, jeneverbes, karwijzaad, anijs, dennenhars…
Dit bleef zo tot de 12de eeuw, toen ontdekte de Duitse abdis Hildegard von Bingen de werking van hop die belet dat bier verzuurt en snel bederft. Het duurde nog 100 jaar eer het eerste hopbier vanuit Bremen in Brugge belandde. Dan ging het snel: abdijen begonnen massaal hop te telen.
Buiten de abdijen waren de brouwerijen intussen in handen van machtige brouwersgilden, langs rivieren en waterlopen vond je talloze huisbrouwerijen.
In en rond Brussel, vooral in de Zennevallei, brouwde men streekgebonden geuzebier, naast gefruite varianten zoals kriekbieren. Dit kon alleen daar omdat in de Zennevallei een specifieke giststam voorkwam.
Het brouwen werd ook afgebeeld op de schilderijen van Pieter Breughel de Oude (1525-1569). Kunstschilder Adriaen Brouwer (1605-1638) uit Oudenaarde vereeuwigde wellicht Oudenaards bruin bier.

Met de Franse Revolutie (1789-1794) was de rol van de abdijen – tijdelijk – uitgespeeld.
In de zeventiende eeuw ging het bierbrouwen zich sterker differentiëren en ontstonden er ook meer specifieke namen voor de verschillende soorten.
Enerzijds waren er de bieren van Antwerpen, Lier en Vlaanderen die in hoofdzaak met gerst gebrouwen werden.
Anderzijds waren er de overige, Brabantse bieren die een grote hoeveelheid tarwe bevatten.
In elk dorp was er minstens één brouwerij, die bier leverde aan de plaatselijke gemeenschap.
Het onderscheid tussen bieren van de verschillende dorpen of regio’s werd in de eerste plaats bepaald door het gebruik van de grondstoffen die men ter plaatse kon winnen en de kwaliteit van het put of bronwater dat werd gebruikt.

Moderne tijd

In 1870 slaagde Louis Pasteur er namelijk in om biergist te isoleren.
Hij bedacht een methode om zuiverdere gist te maken.
Pasteur ontwikkelde ook de ‘pasteurisatie’ waarbij je door korte verhitting schadelijke micro-organismen in voeding uitschakelt.
Later ontdekte Carl Emil Hansen hoe je gistcellen opkweekt door suiker toe te voegen. Sindsdien kan men bieren met stabiele kwaliteit brouwen.
Einde 19de eeuw begon men koolzuur te gebruiken om bier te tappen.
Rond 1900 telde België ongeveer 3.200 brouwerijen.

Hedendaagse tijd

De bierproductie was tot na de Eerste Wereldoorlog heel sterk regionaal en lokaal georiënteerd. Alleen wanneer de brouwerij kon beschikken over typische brouwerspaarden werd het bier ‘geëxporteerd’ naar wat verderop gelegen steden en gemeenten.
Na twee wereldoorlogen waarbij de brouwerijen werden gesloopt om het koper te gebruiken voor de aanmaak van kogelhulzen bleven er in 1946 nog slechts 775 bierfabrikanten over.
Sinds 1986, het ‘Jaar van het Bier’, leeft de Belgische brouwerijen opnieuw op. We worden wereldleider op het vlak van degustatiebieren, in die mate dat de Franse overheid op 1 januari 2013 een biertaks (accijnsverhoging met 160 %) invoerde om de eigen wijnconsumptie te beschermen.
Nu zijn er meer dan 1500 verschillende Belgische bieren en een jaarproductie van meer dan 15 miljoen hectoliter


Gemaakt op: 1/09/2016 / Update: 30/10/2017